Categorie: archief

  • In de ban van het water

    Door Lydia de Leeuw 

    Je kunt er niet omheen in de Gazastrook: de watercrisis. Ieder gezin heeft te kampen met een groot tekort aan water voor consumptie en het huishouden. Internationale organisaties zoals de WHO en VN luiden de noodklok over de vervuiling van het water: als er niet snel actie ondernomen wordt, is de verontreiniging van Gaza’s grondwater binnen nu en tien jaar onomkeerbaar.

    “Totdat ik dit werk deed, was ik mij er niet van bewust hoe ernstig vervuild ons water is en dat ik zelf ook dagelijks verontreinigd water drink,” zegt Ghada Snunu, van de organisatie EWASH (Emergency Water And Sanitation Hygene Group). Ghada vertelt een verhaal waar je van schrikt, een verhaal dat je liever niet hoort. Het komt erop neer dat de Gazastrook langzaam vergiftigd wordt door de vervuiling van het grondwater.

    EWASH coördineert de activiteiten van 30 organisaties die waterprojecten draaien in Palestina. “Gaza’s waterzuiveringsinstallaties, waterleidingen en riolering zijn al lange tijd toe aan reparaties en uitbreiding. De benodigde bouwmaterialen worden door Israël nauwelijks de Gazastrook binnengelaten. Sinds de zogenaamde versoepeling van de afsluiting in juni 2010, is slechts 20% van de benodigde bouwmaterialen voor zulke projecten doorgelaten”, vertelt Ghada. “De onderontwikkeling van het waternetwerk leidt ertoe dat het grondwater verder vervuild en overbelast raakt, het water onvoldoende gezuiverd wordt, en rioolwater in de zee gedumpt wordt. De schaarse watervoorziening wordt verder verergerd door de voortdurende brandstofcrisis in Gaza. Door het tekort aan brandstof kunnen de  elektriciteitscentrales onvoldoende stroom opwekken voor een aaneengesloten waterzuivering en watervoorziening.”

    Water: schaars en giftig

    “Ons hele leven wordt beheerst door het water,” zegt Abdel Moti Abdallah Abed Rabbo (59), terwijl hij een blik over zijn tuin in Izzbet Abed Rabbo werpt. Samen met zijn vrouw, vier zoons, dochter en vier kleinkinderen woont hij in het oostelijk deel van Jabaliya.

    “We worden zo’n vier uur per dag voorzien van water uit de leiding maar weten nooit wanneer precies; de toevoer volgt geen vast schema. En als de generator van de gemeente niet werkt, is er soms 3 dagen geen nieuw water.”

    Zodra het water door de leiding stroomt, komt de hele familie in actie. Abdel Moti gaat dat dan de tuin in om de watertanks vol te laten lopen. Dat water pompt hij door naar het huis, ervan uitgaande dat er stroom is. Zo slaat hij op twee plaatsen water op voor de uren dat er geen toevoer is. “Als de watertanks leeg zijn en ik zet de pomp niet af, dan gaat de pomp stuk. Dat gebeurt iedere maand minstens één keer en kost 70 shekel[1] om te laten repareren,” vertelt Abdel Moti. Wanneer hij druk in de weer is met de waterslangen, pomp en generator, begint de rest van de familie aan het huishouden. “Soms, als het water ’s nachts terugkomt, maak ik de hele familie wakker om zich te douchen, kleren te wassen, de vaat te doen, schoon te maken en alle andere dingen te doen die we uit moesten stellen vanwege het gebrek aan water. We moeten er ook altijd aan denken om flessen met water te vullen en deze in de koelkast te leggen. Want als er geen stroom is, kunnen we geen water oppompen en filteren  om van te drinken.”

    “Ons levensritme wordt bepaald door het water”, zegt Abdel Moti geërgerd. “Ik moet de waterleiding in principe constant in de gaten houden. Het is tijdverspilling en ik moet er zelfs regelmatig voor thuisblijven. Dat is voor mij het ergste. Ieder uur moet ik kijken of er water op de leiding zit.”

    De watertoevoer naar het Abed Rabbo huis is onvoldoende, zeker in de zomer. Dan is het niet eens genoeg om van te drinken. Toch heeft de familie het nog relatief goed vergeleken met de rest van de Gazastrook: “Veertig procent van de bevolking heeft slechts eens in de vier dagen een watertoevoer van tussen de zes en acht uur”, aldus Ghada Snunu.

    Om het tekort aan te vullen koopt de familie iedere tien dagen 2,000 liter water van een tankwagen. Dat kost hen 100 shekel per keer. “Daarnaast hebben we regelmatig een technicus nodig die onze waterpomp, generator en leidingen repareert,” zegt Abdel Moti. “Ook moeten we iedere drie maanden onze waterfilter vervangen, want na drie maanden of vier maanden begint het water uit de filter troebel te worden. Een nieuwe filter kost 80 shekel. Water is voor ons een financiële last.”

    Noodzakelijk vergif

    De vervuiling van Gaza’s grondwater wordt niet voldoende opgevangen door de waterzuiveringsprocessen waardoor pesticiden, chemicaliën, chloor, nitraten, en zelfs sporen van rioolwater terug te vinden zijn in het drinkwater.

    Onderzoek van de Coastal Municipalities Water Utilities (CMWU) toonde aan dat 26% van de ziekten in Gaza zijn aan water gerelateerd. Deze varieren van chronische leverziekten en nierfalen tot diarree en hepatitis.

    Abdel Moti leest rapporten over de watercrisis. “Alle onderzoeken laten zien dat 90% van het water, inclusief het gefilterde water, niet geschikt is om van te drinken. Toch moeten we het wel drinken; we hebben geen andere opties. Dokters zeggen dat steeds meer mensen lijden aan nierstenen. We weten niet precies wat voor stoffen we binnenkrijgen via het water. In Gaza wordt niets goed in de gaten gehouden of gemeten, maar dat het ongezond is, is zeker. De laatste jaren is mijn tuin van een groen woud veranderd in een dor en droog geheel. Sommige planten groeien zelfs helemaal niet meer in onze tuin, vanwege het vele zout in het water”, zegt Abdel Moti, wijzend naar wat verdorde struiken.

    Geen onmogelijke droom

     Abdel Moti kijkt voor zich uit: “Volgens mij is mijn droom niet onmogelijk. We hoeven niet op andere landen te lijken. Maar ik wil gewoon kunnen slapen en wakker worden zonder aan water te hoeven denken. En ik wil zonder nadenken water kunnen drinken wanneer ik ’s ochtends wakker wordt. Mijn hele leven bestaat uit water en elektriciteit. Ik wil dat mijn familie kunnen leven in waardigheid, als ieder gewoon mens. Dat is ons recht.”

    [1] 1 shekel is ongeveer 0,20 euro.

    Kijk op www.thirstingforjustice.org om meer te weten te komen over de EWASH campagne die het Palestijnse waterprobleem op de kaart zet.

     

    Eerdere artikelen van Lydia

    Voorbereid op een onzekere toekomst

    Voor straf in het donker

    Ter land, ter zee en ondergronds

  • Na zes jaar weer bezoek uit Jabalya

     

    Van zondag 12 februari tot woensdag 15 februari 2012 brachten twee bestuurders van het Nama’a College for science en Technology uit Jabalya een bezoek aan Groningen.  Het gaat om Dr. Mo’een Al Borsh, de dean van de school en mr Salah A. Keshta, directielid externe betrekkingen. Het was voor het eerst sinds 2005 dat een delegatie uit Jabalya Groningen kon bezoeken.

    Het doel van het bezoek was de contacten met Groningen te herstellen door kennis te maken met Groningen en door samenwerkingsverbanden te zoeken met partners in Groningen vooral op het gebied van het onderwijs. Het Nama’a College denkt dan bijvoorbeeld aan uitwisseling van docenten of studenten. De relatie met Groningen is ontstaan omdat het gebouw waar het College nu in gehuisvest is gefinancierd is door de gemeente Groningen als onderdeel van het project “Jeugd in Jabalya”. Dat project kon destijds niet worden voortgezet vanwege de politieke situatie in de Gazastrook (o.a de disengagement in 2005 en de door Hamas gewonnen verkiezingen in 2006 die voor Israel aanleiding waren tot een bijna complete blokkade van de Gazastrook). Contacten met Jabalaya waren jarenlang uiterst moeilijk en minimaal. Maar de gemeente Groningen heeft altijd de bereidheid uitgespoken om, als de situatie zou verbeteren, verdere samenwerking met partners in Jabalya te heroverwegen.

    foto 1
    De delegatie wordt ontvangen door het bestuur. Tweede van links dr Moueen Al Borsh, de dean van het Nama’a College. Tweede van rechts projectmanager Salah Keshta

    De delegatie heeft als eerste gesprekken gevoerd met de Stichting Groningen-Jabalya en bestuursleden van de Stichting. Het belangrijkste onderdeel was elkaar bijpraten m.b.t. de recente ontwikkelingen in Groningen en Jabalya, het bespreken van mogelijke perspectieven voor samenwerking en de voorbereiding van het programma. De delegatie toonde een aantal filmpjes over de gang van zaken op het College en de staat van het gebouw. De Stichting Groningen-Jabalya was blij verrast met de intensieve manier waarop van het gebouw gebruik wordt gemaakt.

    In een aantal contacten op de RUG werd gesproken over mogelijke samenwerking (lesgeven in Jabalya, samenwerking bij wetenschappelijke congressen). Met de Gemeente Groningen waren er kennismakingsontmoetingen op het niveau van ambtenaren en met wethouder Elly Pastoor. Ook was er contact met een aantal gemeenteraadsleden. Daarbij benadrukten de heren Al Borsh en Keshta dat zij mensen uit het onderwijs zijn en geen politici. Zij zoeken ondersteuning en contacten m.b.t. het onderwijs aan jongeren in Jabalya. Zo zijn er bijvoorbeeld in Jabalya jongeren die wel gekwalificeerd zijn om hbo-onderwijs te volgen maar die de kosten (U$ 1000,- per jaar) niet kunnen betalen. Ook wees de delegatie er op dat het gebouw nooit is afgebouwd en dat bijv. de lift (vrij essentieel in een samenleving met veel gehandicapten) ontbreekt. Er was ook een gesprek met Jan Arend Mulder, de architect van het gebouw. Daarbij kwamen een paar vragen m.b.t. bouw en inrichting aan de orde en werden bij de delegatie bestaande ideeën m.b.t. aanpassingen aan het gebouw getoetst. Op de Hanzehogeschool liet de delegatie zich uitgebreid voorlichten over wat de Hanzehogeschool het Nama’a College kan bieden m.b.t. mogelijke vervolgopleidingen voor studenten uit Jabalya, training van staf en docenten, ondersteuning m.b.t. beleidsontwikkeling etc. etc. Het verblijf in Groningen werd afgesloten met een bezoek aan de afdeling Techniek, ICT, en technologie (incl. multimediadesign) van het Alfa College.

    Het Stichtingsbestuur heeft als conclusie getrokken dat er weer mogelijkheden zijn voor nauwere contacten met de bevolking van Jabalya en zal dat de komende tijd verder in voorstellen uitwerken. Daarbij is een tegenbezoek aan Jabalya in de loop van dit jaar waarschijnlijk.

    Aanvulling

    In april 2013 hebben wij van de gemeente Groningen bericht gekregen dat wij € 65.000 hebben ontvangen om te besteden aan een onderwijsuitwisselingsproject met het Nama’a College.  zie hier 

     

  • Jeugd in Jabalya

    Een initiatiefvoorstel van GroenLinks in de gemeenteraad van Groningen (februari 1998) een internationale samenwerking aan te gaan met een lokale gemeenschap in een Arabisch land, resulteerde in een uitspraak van de gemeenteraad (22 december 1999) geen stedenband te initiëren met een stad in een Arabisch land. Andere samenwerkingsvormen werden echter niet uitgesloten. Internationale samenwerking zou vorm gegeven kunnen worden middels een projectmatige, en op resultaat gerichte werkwijze met een vooraf vastgestelde beperkte duur.

    Na een werkbezoek van een aantal burgemeesters uit de Palestijnse gebieden aan Nederland (1998) hebben vertegenwoordigers van een Groningse initiatiefgroep door tussenkomst van Mouin Rabbani contact gehad met de burgemeester van Jabalya. Na een bezoek van burgemeester Jacques Wallage aan de Palestijnse gebieden (1999) ontving de gemeente Groningen van de gemeente Jabalya een verzoek om hulp bij het opzetten van niet-commerciële kinderopvang.
    Na het besluit van de Gemeente Groningen om te onderzoeken wat de mogelijkheden zouden kunnen zijn (nota “Uit de kinderschoenen!”, begin 2000) volgde een project-identificatie-missie naar Jabalya in september van dat jaar. N.a.v. de positieve bevindingen is er een voorstel voor de gemeenteraad van Groningen geformuleerd, welke 17 oktober 2001 unaniem door de gemeenteraad werd aangenomen. Besloten dit project “Jeugd in Jabalya” uit te werken en te concretiseren.
    Een missie in februari 2002 resulteerde in de ondertekening van een “Memorandum of Understanding” waarin de gemeentes Groningen en Jabalya overeenkwamen een jeugdcentrum in Jabalya te willen gaan bouwen, een lokaal jeugdbeleid te gaan ontwikkelen, een onafhankelijk bestuur voor het jeugdcentrum op te gaan zetten en een uitwisseling van kennis tot stand te brengen tussen het jeugdcentrum in Jabalya en een soortgelijke instelling in Groningen. Dit “Memorandum” werd in augustus 2002 door de burgemeesters van Groningen en Jabalya ondertekend.

    In oktober 2002 heeft de gemeente Groningen een projectovereenkomst gesloten met VNG-International. Deze draagt maximaal 260.000 Euro bij aan het project, waaronder ongeveer de helft van de investeringskosten van de bouwkosten van het jeugdcentrum, dat gemaximeerd is op 300.000 Euro. De gemeente Groningen neemt de andere helft van de investering voor haar rekening. De einddatum van het project is bepaald op april 2005.

    In november 2002 hebben de beide gemeentes een contract getekend waarin Groningen de investering van 300.000 Euro in de stichtingskosten garandeert op de voorwaarde dat Jabalya donoren vindt voor de aankleding, inrichting en exploitatie van het jeugdcentrum.

    In februari 2004 heeft de gemeente Groningen een project overeenkomst aangegaan met de gemeente Jabalya en het inmiddels opgerichte onafhankelijke bestuur in Jabalya. Direct daarop is begonnen met de bouw van het jeugdcentrum, welke in april 2005 is voltooid.

    yec 3
    Het gele gebouw links is door de gemeente Groningen gefinancierd. Het huisvest nu het Nama’a College for Science and Technology. zie ook foto hieronder klik op plaatje voor meer info over het gebouw

    In de loop van 2005 is met financiële hulp van de gemeente Groningen (maximaal voor 1 jaar) een kleine staf aangesteld bestaande uit een directeur, een secretaris en een activiteitencoördinator. Taak van de directeur zou vooral bestaan uit het interesseren van donoren voor het financieren van de aankleding, inrichting en exploitatie van het jeugdcentrum i.q. projecten die in het centrum kunnen plaatsvinden.

    Per 31 december 2005 werd de overeenkomst met VNG-International beëindigd. Weliswaar waren de doelstellingen van het project ‘Jeugd in Jabalya’ nog niet geheel gehaald, deze zouden in een nieuwe overeenkomst met VNG-International in het kader van haar nieuwe subsidieprogramma LOGO-South alsnog verwezenlijkt kunnen worden. Het ging daarbij voornamelijk om de implementatie van het inmiddels geformuleerde jeugdbeleid en de kennisuitwisseling met de Groningse instellingen op het gebied van jeugdbeleid.

    Veranderend landschap

    Sinds het najaar van 2005 is het landschap waarin de contacten met Jabalya plaats hadden drastisch gewijzigd, zowel in de Palestijnse gebieden, in Jabalya zelf als in Nederland en Groningen. Vanwege de terugtrekking van de Joodse nederzettingen uit de Gaza-strook besloten veel internationale donoren, vanwege te verwachten (interne) spanningen zich tijdelijk uit de Gazastrook terug te trekken. Toen in januari 2006 Hamas de parlementsverkiezingen won, gevolgd door een internationale boycot van deze regering bleven deze internationale donoren, ook al vanwege de aanhoudende interne spanningen tussen Hamas en Fatah, weg. De Israëlische regering reageerde op deze ontwikkelingen met het sluiten van de grenzen van de Gazastrook en het bevriezen van de belasting tegoeden. Toen in juni een Israëlische soldaat werd ontvoerd volgde de vergeldingsactie “zomerregen” waarbij ook in Jabalya dagelijks doden en gewonden vielen, met name onder burgers.

    In oktober 2005 ging onze  ‘counterpart’  gemeentesecretaris Mohammed Basheer Al Tayeb met pensioen en in december van dat jaar overleed burgemeester Khaleel A. Samarah. Daarmee verdwenen twee van de belangrijkste partners van het Groningse project uit het bestuur van de gemeente Jabalya.

    Directie en bestuur van het jeugdcentrum zijn er mondjesmaat in geslaagd donoren te vinden die bereid waren te investeren in het jeugdcentrum. Activiteiten op sportgebied en theater zijn in gang gezet. Wij schatten dat met deze activiteiten zo’n 10 tot 20 procent de capaciteit van het totaal van de mogelijkheden van het centrum wordt benut.

    Toen in de loop van 2006 de Groningse financiering van de stafmedewerkers afliep zag het bestuur van het jeugdcentrum zich genoodzaakt deze bij gebrek aan middelen te ontslaan. Wel werd een deel van deze mensen bereid gevonden hun werkzaamheden te continueren, onder de toezegging dat wanneer er weer geld is zij alsnog uitbetaald zullen worden.

    In de loop van 2006 werden door VNG-International de voorwaarden waaronder in het LOGO-South programma subsidies beschikbaar komen vastgesteld. Anders dan eerder werd veronderstelt komt het project van de gemeente Groningen daarvoor niet meer in aanmerking. In overleg met de betrokken Nederlandse werd aanvankelijk gekozen voor de thema’s milieu en jeugd, na consultatie van APLA (de Palestijnse vereniging van gemeenten) en Buitenlandse Zaken werd overeengekomen dat enkel aanvragen voor het thema ‘milieu’ gehonoreerd zou kunnen worden. Bovendien zou de Nederlandse gemeente een extra band aan moeten gaan met een Israëlische gemeente in het kader van de door VNG-International geïnitieerde project MAP, de Municipal Alliance for Peace.

    In Groningen werd in november 2005 de begroting 2006 vastgesteld. Daarin werd voor de jaren 2006-2007 een bedrag van 65.000 Euro gereserveerd ten behoeve van de afronding van het project ´Jeugd in Jabalya´. In diezelfde maand werd door de verantwoordelijk wethouder van Schie in een gesprek met de Stichting duidelijk gemaakt dat deze afronding niet meer door de gemeente zelf zou worden uitgevoerd, zij dacht daarbij aan de MJD of eventueel de Stichting. Deze laatste heeft in dat gesprek aangegeven daarvoor ´in de markt´ te zijn. OCSW zou daarover met de Stichting contact opnemen. Toen dat niet gebeurde heeft de Stichting het initiatief genomen een voorstel te formuleren. Deze werd op 7 maart 2006 met de heer Siewert Pilon besproken. Resultaat daarvan was dat OCSW akkoord was met de opzet, maar dat niet duidelijk was, gelet op de internationale boycot van de Hamas/regering, wanneer één en ander geëffectueerd zou kunnen worden. Na de gemeenteraadsverkiezingen werd in april een nieuw College geïnstalleerd. In het Collegeprogramma werd wat betreft Jabalya besloten, na afronding van het project ´Jeugd in Jabalya´ de contacten met Jabalya te continueren en uit te bouwen. Ook werd besloten alle internationale contacten (behalve de economische) te concentreren in de portefeuille van burgemeester Wallage. In juni werd duidelijk dat de internationale boycot niet van toepassing was op projecten als die van Groningen, ook al omdat deze als humanitaire hulp aangemerkt zou kunnen worden. In september volgde een kennismakingsgesprek tussen Wallage en de Stichting. Bij dit gesprek werd het idee gelanceerd om eerst een poging te doen de exploitatie van het jeugdcentrum op de middellange termijn zeker te stellen aangezien Groningen daar niet de middelen voor heeft. Aanvankelijk zag het er naar uit dat BuZa bereid was een consultant voor dit doel te financieren. Helaas liep dit op niets uit.

    In januari 2007 volgde een nieuw gesprek tussen Wallage en de Stichting. De Stichting werd gevraagd een voorstel te doen teneinde de contacten met Jabalya af te hechten en de kosten daarvan in beeld te brengen. Voorts zal de Stichting een voorstel doen het consultancy-traject in beeld te brengen.

     

     

     

  • Reportages uit Gaza verschenen in de Nieuwsbrief

    Het Doha Centre for Media Freedom Palestine is een journalisten kollektief, onderdeel van het Doha Centrum voor Persvrijheid  Met enige regelmaat zullen bijdragen van dit kollektief gepubliceerd worden op de site of in onze nieuwsbrief.  kijk hier voor de bijdragen die tot nu toe gepubliceerd zijn

     

  • Lydia de Leeuw  is een criminologe gespecialiseerd in mensenrechten, conflict en state-corporate crime. Zij werkt momenteel bij een mensenrechtenorganisatie in de Gazastrook. Daarnaast schrijft ze als freelancer over de situatie in de Gazastrook o.a voor onze nieuwsbrief.  kijk hier voor haar bijdragen

    Kijk voor meer verhalen ook op http://asecondglance.wordpress.com

  • Geweld in de Gazastrook

    persverklaring

    De Stichting Groningen-Jabalya is geschokt door het huidige geweld dat de Gazastrook treft. Ook in Jabalya zijn gisteren één dode en vier gewonden gevallen en is veel verwoest door de Israëlische aanvallen met vliegtuigen en tanks.

    Wij onderschrijven de veroordeling van het onderlinge geweld tussen Fatah- en Hamasfacties door de Palestijnse mensenrechtenorganisatie PCHR. Tegelijkertijd lijkt het erop dat de Israëlische politiek ten opzichte van Gaza, het maximaal bevorderen van instabiliteit, succes begint te hebben. Jarenlang is het dichtbevolkte gebied (zo groot als Texel, met 1,2 miljoen mensen) hermetisch van buitenwereld afgesloten. Basisbehoeften als voedsel en medicijnen zijn maar met mondjesmaat toegelaten, veel te weinig voor wat nodig is om de bevolking een leven op een menswaardig minimum te verschaffen. De elektriciteitsvoorziening is gebombardeerd. Voorzieningen voor schoon drinkwater werden regelmatig vernield. De uitvoer van produkten werd ernstig gehinderd. Door dit alles kwam de economie zo goed als tot stilstand met uiteindelijk als gevolg dat 80% van de Gazanen in bittere armoede leven en afhankelijk zijn van voedselhulp. Dit alles was er op gericht om de druk op de mensen in het afgesloten dichtbevolkte gebied zo op te voeren dat men elkaar in de haren zou vliegen.

    Wij betreuren dat Israël hierin lijkt te slagen en wij veroordelen de aanvallen die Israël nu met vliegtuigen en tanks uitvoert waardoor het lijden van de bevolking – ook in Jabalya – nog vergroot wordt.
    De Stichting Groningen-Jabalya vraagt de Nederlandse regering om bij Israël te protesteren tegen deze aanvallen, die door een aantal waarnemers worden gezien als een voorbode van een hernieuwde militaire verovering van de Gazastrook. Deze militaire benadering is geen oplossing voor het conflict en brengt ook geen veiligheid voor Israëlische burgers in Sderot en andere grensplaatsen.
    Het beleg van Gaza door Israël moet zo snel mogelijk worden opgeheven. Pas dan kan de stabiliteit terugkeren en kan er gewerkt worden aan een niet-militaire oplossing.

    Gezien de huidige situatie heropenen wij onze geldinzamelingscampagne voor medische hulp aan de bevolking van Jabalya via de onafhankelijke medische hulporganisatie PMRS. Giften zijn weer welkom op giro 6687678 t.n.v. St. Groningen-Jabalya

  • Genade of straf? Het gebied dat leven en dood scheidt…. een bittere werkelijkheid

    Door Hiba Walim

    Het is niet eenvoudig om een stuk te schrijven over de grensgebieden van Gaza. Wij hebben met de auto in oostelijke richting gereden om zo dicht mogelijk bij de grens tekomen, bij Jahr Edik dat midden in het gebied ligt. Meer dan eens zijn we daarbij in levensgevaar geweest omdat wij zo dicht bij – zoals de Israëliërs dat noemen – het ‘geïsoleerde’ gebied kwamen.

    In eerste instantie ervaar je het gebied als leeg en verlaten, als gevolg van de gevaarlijke situatie. En toch, als je aandachtig kijkt, zie je licht afkomstig van huizen als lichtpuntjes in het donker of als vraagtekens zonder antwoord.
    Oneindig groene vlakten die je verrassen door hun schoonheid, maar meer nog door de dreiging die ervan uitgaat. In de verte zie je werktuigen, koepels en kazernes van het Israëlische leger en dan besef je het levensgevaar en voel je de dood dichterbij komen. Hoe kunnen mensen zo dicht bij deze grens wonen, bij een lijn die door sommigen de lijn des doods wordt genoemd en die hen slechts een paar meter van het Israëlische leger scheidt? Wat dwingt hen om dat te doen? Veel raadsels worden pas duidelijker als we dichter bij deze huizen komen.

    IMG_4707

    De familie Huthut, die op een paar kilometer van de grens woont, vertelt over de problemen die zij ondervinden als gevolg van het wonen aan de grens.  Met een bittere zucht, begint Oum Tarek Huthut te vertellen over wat zij en haar gezin hebben meegemaakt tijdens de laatste oorlog in Gaza. Zij zegt: ”Dat waren de ergste dagen van ons leven. Wij woonden zo dicht bij de grens dat elke beweging van ons in de gaten werd gehouden. Water en voedsel raakten op een gegeven moment op en ik moest mijn eigen leven en dat van de kinderen in gevaar brengen om in onze levensbehoeften te kunnen voorzien”. De kinderen gingen, tijdens de beschietingen tussen de tanks door met hun lege flessen op weg om ze, waar maar ook, te vullen met water. Oum Tarek vervolgde: “De omstandigheden waarin mijn gezin leefde waren erg moeilijk. Mijn man is ziek en bedlegerig en daarom was het moeilijk om hem te verplaatsen. Het was daarom onmogelijk om tijdens de oorlog naar buiten te gaan op zoek naar een veilig gebied. De buren om ons heen hadden allemaal het gebied verlaten en wij verwachtten elk moment gedood te worden.”

    foto 7

    Droevige kindertijd
    Amir Huthut, een kind van 12, onderbrak zijn moeder en schreeuwde verontwaardigd: “Maar ik ben niet bang… ik ben gewend aan de beschietingen, het is gewoon geworden”. Hij heeft zo vaak de aanvallen en bezettingen van hun huis door het Israëlische leger meegemaakt, dat hij gewend geraakt is aan het geluid van raketten, kogels en tanks. Dat is normaal voor hem geworden.  Plagerig voegde hij eraan toe: “Het is mogelijk dat de beschietingen en de aanvallen op ons huis nu plaats gaan vinden en dan zien jullie met eigen ogen wat dat betekent”.
    Wijzend op haar zoon Amir, wordt Oum Tarek verdrietig. Zo is mijn zoon Amir geworden, agressief en fel. Hij is mensenschuw en om het minste of geringste wordt hij boos en loopt dan weg naar het kerkhof om het graf van zijn vader te bezoeken. Hij is nog steeds heel sterk aan zijn vader gehecht. Het lukt mij niet meer om hem in bedwang te houden en machteloos zie ik met de dag zijn schoolresultaten verslechteren.
    Oum Tarek is er van overtuigd dat het dicht bij de grens wonen, de voortdurende confrontatie met oorlog en vijandelijke aanvallen maar vooral de laatste aanval op Gaza, de kinderen psychische hebben geschaad. Ongewild plassen ze in bed, leven ze in angst en gaan hun schoolresultaten zichtbaar achteruit.

    Stom van verdriet
    Wij reden verder langs de grens in het oosten van het gebied, tussen de beplante landerijen door, in een poging om ons onzichtbaar te maken voor de Israëlische oorlog toestellen. Maar wij wisten dat het gebied daarvoor te open is en dat wij onmogelijk aan het vizier van de Israëlische soldaten zouden kunnen ontsnappen. Zij bevinden zich immers slechts op enkele meters afstand van ons.
    Wij zagen een groepje kinderen oorlogje spelen. Ieder kind hield een houten stok in zijn hand en richtte dat op een ander kind, roepend: ‘ga dood, ga dood’. Randa Halas, 32 jaar oud en moeder van de kinderen, hield toezicht in een poging hen tegen het onverwachte te beschermen. Randa merkte op: “Ik voel dat ik voortdurend in een oorlog leef en hoe kan ik die verschrikkelijke dagen ook vergeten. Zelfs als ik dat al zou willen, zou ik daar nog niet in kunnen slagen. Mijn zoon Mohamed herinnert mij steeds weer aan deze verschrikkelijke dagen”.
    Zij omhelst haar zoon Mohamed en vervolgt: “Toen de aanval op Gaza begon, was ik in de zevende maand van mijn zwangerschap. De angstwekkende situatie waarin wij ons toen bevonden, de aantallen bommen en kogels en het vuur dat wij met onze eigen ogen zagen en dat ons belette om te vluchten naar veiligere gebieden, de angst van de kinderen, hun gehuil en geschreeuw, de voortdurende vrees om mijn kinderen te verliezen, dat heeft mij zeer geraakt en invloed gehad op mijn ongeboren kind”. Mohamed is drie maanden na de oorlog geboren en is nu vier jaar oud. Hoewel hij goed hoort en alles begrijpt wat om hem heen gebeurt, heeft hij nooit kunnen spreken. De arts heeft Mohamed herhaaldelijk onderzocht maar geen enkel fysiologisch gebrek kunnen constateren. Eens op een dag zal hij misschien toch kunnen praten.

    IMG_4988

    Waar moet ik naar toe?
    Randa vervolgt: “Mijn kinderen leven met een constant gevoel van angst ook als zij in hun eigen huis zijn, een plek waar een kind toch verondersteld wordt geborgenheid te voelen. Ze zijn bang om door de kogels geraakt te worden als ze thuis zijn. Dit angstgevoel is dagelijks aanwezig en niet alleen tijdens oorlog of tijdens het binnendringen van het leger in ons gebied. De kinderen durven ‘s nachts niet meer naar de WC te gaan, zo bang zijn ze geworden van het geluid van gewone kogels en van de lichtkogels die ‘s nachts door het Israëlische leger worden afgeschoten. Waar moet ik naartoe met mijn kinderen om hen een veilig gevoel te geven?” Randa hoopt ooit het gebied te kunnen verlaten en een huis ver van de grens te kunnen kopen, maar wie wil haar huis nu kopen en zo dicht bij de grens gaan wonen?

    Overlevingsdrang
    Wij hebben onze reis langs de grens voortgezet naar het uiterste noorden van Gaza en kwamen uit bij een landbouwterrein op 300 meter van de grens. Daar troffen wij een huisje dat van alle kanten beschoten was door vuurwapens en tankgranaten. Het bouwsel was zo ernstig beschadigd dat wij niet verwachtten dat het bewoond was en als dat wel het geval zou zijn, dan zouden de bewoners allang dood moeten zijn.
    Salah Hamran, 61 jaar en opzichter van de landbouwgrond aan de grens vertelde ons over de ontberingen die hij tijdens de oorlog in Gaza heeft doorstaan en waar hij nog dagelijks mee geconfronteerd wordt. Zijn situatie verschilt met die van de grensbewoners die wij eerder ontmoet hebben. Salah woont met zijn gezin in dit gevaarlijke gebied en in dit huis omdat het zijn bron van inkomsten is waarmee hij in de behoeften van zijn gezin kan voorzien.
    Abu Salah vertelde ons over de merkwaardige en onvergetelijke situaties die hij meegemaakt heeft. “Vier dagen voor het einde van de oorlog in Gaza”, vertelde hij, “was ik in ons huis opgesloten omdat er verschrikkelijke beschietingen overal rondom het huis aan de gang waren. Wij voelden ons meer dood dan levend. De situatie werd zo erg en uitzichtloos dat ik aan mijn kinderen vroeg om een laatste gebed op te zeggen, de shahada”. Bedroefd en wanhopig, zei Abu Salah: “Mijn leven hier is helemaal uitzichtloos, ik kan hier niet meer verder leven, maar elders kan ik geen centimeter grond kopen. Dagelijks maak ik moeilijke situaties mee en vaak hoop ik snel dood te gaan in plaats van op deze manier verder te leven. Op een keer werd mijn zoon ziek en kon hij nauwelijks meer ademen. Ik heb geprobeerd iemand te vinden die mij en mijn kind naar een hulpcentrum kon brengen”. Een traan viel op zijn wang terwijl hij beschreef hoe hij uiteindelijk, midden in de nacht, zich verschuilend tussen de bomen, de grote weg probeerde te bereiken om zijn kind te helpen. Maar het was een dilemma. Hij was namelijk ook ongerust over de andere leden van zijn gezin die hij nu alleen achterliet en die aangevallen hadden kunnen worden of dat hij zelf gepakt zou worden en hen dan niet meer zou kunnen bereiken. “Mijn lijden zal nooit ophouden, een ander huis heb ik niet en een andere baan zal ik niet kunnen krijgen’.
    Hetzelfde geldt voor Hashim Khater, een jonge man van 25 jaar. Hij gaat dagelijks naar Jahr Edik in het midden van Gaza, dicht bij de grens, om dagelijks zijn kost te verdienen als boer.

    foto 9

    De situatie is merkwaardig. Uit onderzoek blijkt namelijk dat 27 duizend dunum van dit gebied alleen onder gevaarlijke omstandigheden bereikt kunnen worden. Het gebied heeft te maken met aanvallen van de Israëliers en de kans is groot dat er doden en gewonden vallen onder de civiele bevolking. Bovendien is 30% van de landbouwgrond in Gaza niet te exploiteren vanwege het grote gevaar. Dat betekent niets anders dan een groot verlies aan inkomsten voor de bevolking.
    Hashim merkt op: “Het is moeilijk om dagelijkse te eten te krijgen en de economische situatie in het land is slecht. Dat dwingt mij om in de buurt van de grens te werken. Elke dag vertrek ik vroeg in de ochtend naar dat gebied en dan werk ik op één van de landbouwgronden die het dichtst bij de grens liggen. Ik wied en onderhoud de grond en verkoop het gras aan mensen die geiten en andere dieren houden. Vaak loop ik gevaar en kan op elk moment gedood worden. De Israëli’s waarschuwen niet. Het gebeurt regelmatig dat ik aan het werk ben en beschietingen hoor die ergens vandaan komen of word ik verrast door een offensief. Dan probeer ik eraan te ontsnappen en ren tussen de bomen door om mijn leven te redden.”
    Het Israëlische leger is heer en meester in dit ‘geïsoleerde’ gebied. De menselijke en financiële verliezen groeien gestaag. Statistieken van het Palestijnse Centrum voor Mensenrechten laten zien dat na de laatste grote aanval op Gaza, het Israëlische leger 166 aanvallen heeft uitgevoerd op dat gebied en op het gebied dat aan Egypte grenst.
    Gezinnen die daar wonen, leven voortdurend in angst, niet alleen in oorlogstijd, maar ook in perioden van wapenstilstand. Zij hebben echter de hoop niet verloren dat de wereld ooit een oplossing voor hun ondragelijke situatie zal vinden zodat ze zich in hun eigen huis veilig kunnen voelen en dat zij niet constant in gevaar hoeven te leven.

    Hiba Walim is medewerker van het Doha center for media freedom Palestine. Met enige regelmaat zullen bijdragen van dit collectief gepubliceerd worden op de site of in onze nieuwsbrief

    Eerdere artikelen van het Doha Centre

    Eigenaars van verwoeste huizen wachten nog steeds op wederopbouw

     

  • Voorbereid op een onzekere toekomst

    door Lydia de Leeuw

    Te midden van kleine zandwegen en woningen in Jabaliya staat het imposante nieuwe Nama’a College for Science and Technology. Deze onderwijsinstelling, gehuisvest in een modern gebouw met een sfeervolle tuin ernaast, biedt hoger onderwijs aan zo’n 300 studenten, voornamelijk afkomstig uit het noordelijke deel van de Gazastrook. Het gebouw werd ontworpen door de Nederlandse architect Jan Arend Mulder en gefinancierd door de gemeente Groningen, de zusterstad van Jabaliya.

    Ondanks het vernietigende offensief dat Israël in de winter van 2008/9 botvierde op de Gazastrook en de voortdurende illegale afsluiting en bezetting, ging Nama’a in 2009 van start. Het college biedt 2-jarige MBO/HBO-opleidingen in diverse vakgebieden: van fysiotherapie, prothesekunde, en medische techniek tot bouwtechniek, IT, administratie en media. De eerste lichting studenten studeerde afgelopen zomer af.

    “We houden contact met de studenten en zijn benieuwd waar de terecht zijn gekomen. Binnenkort gaan we dat in kaart brengen,” zegt Nahed, een administratief medewerkster van de school.

    Het bestuur van het college heeft veel hoop en ambities voor de toekomst: “Onze hoop is om ooit uitwisselingen te doen van studenten tussen Gaza en Nederland”, zegt Salah Keshta, de projectmanager van het college. Dr. Mo’een al Borsh, het hoofd van het college, voegt daaraan toe: “Vanwege de politieke situatie is samenwerken met het buitenland, waaronder Groningen, erg moeilijk. Nama’a is een onderwijsinstelling die het beste wil voor haar studenten en we hopen dan ook dat we snel weer aansluiting vinden met onze partners. We willen nog zoveel ontwikkelen in het college.”

    Eén van die plannen heeft betrekking op ruimte. Op dit moment ontbreekt het soms aan les –en practica lokalen. “Er zijn onvoldoende praktijktrainers en er zijn onvoldoende labs. We hebben meer ruimtes nodig,” zegt Mohammed Hassasna (23) wanneer hem naar zijn ervaringen als student gevraagd wordt. Mohammed studeert koeling en airconditioning en zit nu in het tweede en laatste jaar van zijn opleiding. Zijn studie bestaat voor het grootste deel uit praktijkgericht onderwijs. Samar Hassan (24) sluit zich bij Mohammed aan; “er zouden meer lessen zijn als er meer ruimte waren.” Samar volgt de opleiding tot fysiotherapie en zit ook in het laatste jaar. Ze loopt op dit moment stage in het Wafa’ ziekenhuis: “Ik werk graag met kinderen en jonge mensen en merk door mijn stage dat ik op de goede plek ben met mijn opleiding,” zegt ze tevreden.

    De praktische vaardigheden die studenten leren op het college, worden gezien als een belangrijke voorsprong bij het zoeken naar een baan. In de Gazastrook, waar ongeveer 42,5% van de bevolking werkeloos is, zoeken werkgevers jonge mensen met praktische ervaring.

    Mohammed was zich daar erg van bewust toen hij voor Nama’a koos: “Ik was lang op zoek naar een opleiding zoals deze. De werkeloosheid is erg hoog in Gaza en als je kans wil maken op een baan moet je praktische ervaring hebben,” zegt hij. Mohammed liep 2 dagen per week stage in al Shifa ziekenhuis in Gaza Stad, het grootste ziekenhuis in de Gazastrook. Zo’n 4 maanden lang werden hij en enkele medeleerlingen daar onder de hoede genomen door de vakmensen. “Het beviel me erg goed. Ik heb er veel kunnen leren”, zegt hij.

    Wafa’ al Haloul (21), die bekend staat als een van de topleerlingen op het Nama’a College, hecht net als Mohammed veel waarde aan de praktische ervaring die ze krijgt. “Dat geeft ons een meerwaarde in de samenleving. De vaardigheden die we hier leren, zijn hard nodig en de maatschappij, vooral bij non-gouvernementele organisaties. Ik had ook naar een universiteit kunnen gaan, maar koos heel bewust voor deze opleiding.” Wafa’ gaat met plezier naar haar opleiding administratie en wil zelfs in de vakantie doorstuderen: “de komende zomer zijn er ook trainingen te volgen hier en ik denk dat ik daar wel gebruik van zal maken. Ik vind de interactie tussen de leerlingen en studenten ook prettig.”

    Voor Fadi (23) Abu Mohadi was de betaalbaarheid van het onderwijs bij Nama’a belangrijk bij zijn studiekeuze; “ergens anders zou ik niet naar vervolgonderwijs kunnen. Hier is het lesgeld per studiepunt stukken lager, dus dat maakte het voor mij mogelijk om toch een opleiding te doen.” Fadi zit in het eerste jaar van de IT opleiding. Echt optimistisch over de toekomst is hij niet: “Er is geen toekomst in Gaza en als ik klaar ben met mijn opleiding wil ik hier weg.”

    Als gevolg van de voortdurende afsluiting en de gecreëerde massale werkeloosheid ontvangt zo’n 75% van de bevolking in de Gazastrook humanitaire hulp. Hoe de studenten van het Nama’a college terecht zullen komen, hangt niet af van de hulp die Gaza binnenkomt, maar juist van de opheffing van de illegale afsluiting die de lokale economie heeft doen instorten.

    Wanneer ik het viertal vraag naar hun leven buiten school, slaken ze allen een diepe zucht. “Mensen hier hebben geen leven. Er is geen elektriciteit, geen benzine, en onvoldoende schoon water. Dat is geen leven te noemen,” zegt Samar.

    Mohammed ziet nog een lichtpuntje: “Er is wel wat hoop in de Gazastrook, maar veel jongeren wijken noodgedwongen toch uit naar het buitenland omdat daar een betere toekomst is. Maar we blijven Palestijn en zullen altijd terugkomen naar hier.” Op de vraag wat zijn toekomstplannen zijn, verschijnt een voorzichtige glimlach op zijn gezight: “ideaal gezien, zou ik hier een bedrijf beginnen in airconditioning.”

     

    Eerdere artikelen van Lydia

    Voor straf in het donker

    Ter land, ter zee en ondergronds

  • Weer € 3.000,- voor de PMRS

    De inzamelingsactie “Help jabalya de winter door” heeft € 3.000,- opgebracht. Dit bedrag is inmiddels weer naar de Palestine Medical Relief Society in Jabalya overgemaakt.

    Het gezondheidscentrum in Jabalya – het dr. Haidar Abd Al-Shafi centrum genaamd – is in 1985 gesticht om eerstelijns medische zorg voor het vluchtelingenkamp in Jabalya te verzorgen. Inmiddels leven daar 120.000 mensen. Het centrum heeft een breed aanbod van dienstverlening zoals gezondheidszorg voor vrouwen en kinderen, omgaan met chronische ziekten, hulp bij ongevallen, tandheelkunde en zorg door specialisten. Daarnaast is er veel aandacht voor preventie door o.a. gezondheidszorg op scholen, gezondheidseducatie en trainingen voor eerste Hulp vrijwilligers. Jaarlijks zijn er ongeveer 40.000 patientcontacten. Het centrum heeft een staf van 20 personen die in twee-ploegendienst werken. Het Groningse geld zal gebruikt worden voor de aanschaf van medicamenten.