Auteur: pieter

  • Ter land, ter zee en ondergronds

    door Lydia de Leeuw

    Tijdens de kalmere perioden in de Gazastrook gaat het openbare leven, vooral binnen de steden zijn gangetje. Tot op zekere hoogte. Er zijn echter gebieden in de Gazastrook waar je onafhankelijk van relatieve kalmte altijd levensgevaar loopt. Iedere dag betreden vele mannen, vrouwen en kinderen deze gevarenzones, om hun families van inkomen te voorzien.

    wat ooit landbouwgrond was is nu een lege bufferzone

    De meest zichtbare gevarenzone is het grensgebied tussen de Gazastrook en Israël. Daar heeft het Israëlische leger een zogenaamde ‘bufferzone’ gecreëerd, die tussen de 0,5 en 2 kilometer in de kuststrook reikt. Het gebied bestrijkt bijna eenderde van Gaza’s landbouwgrond. Alles wat zich in die zone begeeft, wordt met scherp beschoten vanuit wachttorens die over de gehele lengte van de grens staan.

    De term bufferzone doet voorkomen alsof militaire doeleinden of een veiligheidsoverweging aan dit ‘shoot to kill’ beleid ten grondslag liggen. De vele burgers (inclusief kinderen) die tijdens het werken op het land, verzamelen van schroot of doen van huishoudelijke bezigheden zijn verwond en gedood door het leger, illustreren een ander beeld. De landbouwgrond in het gehele gebied is met de grond gelijk gemaakt en duizenden mensen hebben hun woningen moeten verlaten vanwege de levensgevaarlijke omstandigheden en vernietiging van hun huizen en grond.

    Enkele weken geleden bezocht ik één van de families die hun huis en grond achter heeft moeten laten. De vader van het gezin probeert af en toe nog op het land te werken, maar realiseert zich dat hij daarmee zijn leven riskeert. Hij zegt: ,,We hebben geen andere keus. Waar moeten we dan naartoe en waar moeten we van leven? Dit is onze grond”.

    Het gezin woont nu op de benedenverdieping van een huis een eindje bij de bufferzone vandaan. Het heeft geen geld om de huur ervan te betalen nu hun landbouwgrond vrijwel ontoegankelijk is geworden. De vader en dochters zien er slecht uit. Donkere wallen onder hun ogen, erg mager en afwezig. De moeder heeft de broek aan in huis en probeert het haar gasten zo goed en kwaad als het gaat naar de zin te maken. Aan de gastvrijheid wordt niet getornd. Na het eten van een warme maaltijd en drinken van (heel veel) thee vertelt de moeder wat meer over de gezondheid van de kinderen. Na alles wat ze aan beschietingen, dood en verderf in de bufferzone hebben meegemaakt, hebben haar dochters psychische en lichamelijke klachten. De angst zit in haar kinderen en ze weet niet hoe ze die er ooit nog uitkrijgt.

    De andere gevarenzone ligt in de viswateren van de Gazastrook, in dezelfde onbezorgde Mediteraanse zee als die van onze vakantiebestemmingen. Vissers uit de Gazastrook gooien er al sinds mensenheugenis hun netten uit. De afstand die vissers tegenwoordig vanaf het land kunnen afleggen totdat ze worden tegengehouden door de kogels, waterkanonnen, vernielingen en arrestaties van de Israëlische marine, wordt steeds kleiner.

    De afgelopen decennia heeft Israël het overgrote deel van de Palestijnse territoriale wateren tot no-go area verklaard. Daarmee is het voor veel vissers onmogelijk geworden visvangsten binnen te halen. De beste en meeste vis bevindt zich namelijk in het ‘verboden’ gebied. Gaza’s rijke historie in de visserij wordt langzaam tot een gesloten hoofdstuk verklaard. De ruim achtduizend mannen die in de visindustrie werken ondervinden de grootste moeite om hun families van een inkomen te voorzien. De vissers op zee mogen al blij zijn als ze heelhuids en zonder schade aan de boten terug kunnen keren naar hun havens.

    Mohammed el Najjar visser in Rafah

    Mohammed el Najjar is één van de oude rotten in het vak. Wanneer ik hem ontmoet, zit hij in alle rust in een rieten hut in Rafah een visnet te repareren. Enkele mannelijke familieleden liggen aan de andere kant van de hut een dutje te doen. Voor mijn gevoel loop ik een onbezorgd tafereel binnen, met het geluid van de zee op de achtergrond. Maar zoals vaker hier in de Gazastrook komen na enkele minuten praten grimmige verhalen van een weerbarstige realiteit naar boven.

    Mohammed vaart niet meer. Zijn boot en materieel zijn tijdens het vissen geconfisqueerd door de Israëlische marine en liggen al maanden in de Israëlische haven Ashdod. Zijn twee zoons hebben nog wel een boot waarop ze mee kunnen varen om te vissen, maar hij is erg bezorgd over ze. Ze lopen het risico gearresteerd of aangevallen te worden, zelfs wanneer ze in de door Israël aangewezen watergrenzen blijven. Met Mohammed en zijn familie zijn nog vijfenzestigduizend andere Palestijnen direct de dupe van ingeperkte viswateren.

    Tenslotte: de donkere, stoffige smokkeltunnels ten zuiden van Rafah. Die zijn als paddestoelen uit de grond geschoten sinds de afsluiting van de Gazastrook voor grote tekorten zorgt. De tunnels zorgen voornamelijk voor de toevoer van bouwmaterialen en etenswaren die door Israël niet of onvoldoende binnengelaten worden.

    een smokkeltunnel bijna 25 meter onder de grond
    een smokkeltunnel bijna 25 meter onder de grond

    Wanneer een collega en ik door het gebied van de tunnelingangen (ten zuiden van Rafah) binnengaan worden we soms met argwaan tegemoet getreden en soms hartelijk verwelkomd. Bij een aantal tunnels reageren de mannen enigszins vijandig en nerveus. Enkele sjouwers zeggen dat een dag na het bezoek van buitenlandse journalisten vlakbij hun tunnel bombardementen werden uitgevoerd door de Israëlische luchtmacht. Sindsdien vertrouwen ze niemand meer en staan ze niet toe dat er gefotografeerd wordt.

    Het zijn niet alleen de Israëlische luchtaanvallen die voor doden en gewonden zorgen. Ook instortingsgevaar en sporadische maatregelen van de Egyptische autoriteiten dragen bij aan de risico’s.

    Het enige voordeel van het werken in de tunnels, is dat je er even kunt ontsnappen aan de zomerhitte. Daar probeerden enkele smokkelaars dan ook zoveel mogelijk grappen uit te halen toen ik ze vroeg naar hun ondergrondse leven. Met humor kom je een heel eind. Tussen de hondervijfig en achthonderd meter om precies te zijn. Dat is de lengte van de smokkeltunnels tussen de Gazastrook en Egypte. De tunnels voor zwaar materiaal, zoals cement en stenen, bevinden zich op zo’n 24,5 meter diepte.

    Zodra ik in een takellift enkele meters was afgedaald begonnen mijn longen zich al te verzetten tegen het stof. Daar hebben we weer zo’n buitenlandse softie, zullen die mannen in die tunnel gedacht hebben toen ze mij hoorden hoesten en proesten. Ook al lag het antwoord voor de hand, toch vroeg ik de smokkelaars hoe ze zich over de risico’s heen zetten; wat maakt dat ze iedere dag weer die tunnel weer in durven gaan? Een man die bezig was frisdrank naar boven te takelen antwoordde zonder aarzelen: ,,Ik sterf liever tijdens m’n werk dan dat ik om kom van de honger”. Dat de geldnood hoog is onder deze mannen blijkt wel uit het loon wat ze ontvangen: voor een week werken (12 uur per dag) ontvangen ze ongeveer 140 dollar. En daar moeten veel monden van gevoed worden. Je eten of je leven, daar komt het op neer in deze krimpende kuststrook.

     

  • In de ban van het water

    Door Lydia de Leeuw 

    Je kunt er niet omheen in de Gazastrook: de watercrisis. Ieder gezin heeft te kampen met een groot tekort aan water voor consumptie en het huishouden. Internationale organisaties zoals de WHO en VN luiden de noodklok over de vervuiling van het water: als er niet snel actie ondernomen wordt, is de verontreiniging van Gaza’s grondwater binnen nu en tien jaar onomkeerbaar.

    “Totdat ik dit werk deed, was ik mij er niet van bewust hoe ernstig vervuild ons water is en dat ik zelf ook dagelijks verontreinigd water drink,” zegt Ghada Snunu, van de organisatie EWASH (Emergency Water And Sanitation Hygene Group). Ghada vertelt een verhaal waar je van schrikt, een verhaal dat je liever niet hoort. Het komt erop neer dat de Gazastrook langzaam vergiftigd wordt door de vervuiling van het grondwater.

    EWASH coördineert de activiteiten van 30 organisaties die waterprojecten draaien in Palestina. “Gaza’s waterzuiveringsinstallaties, waterleidingen en riolering zijn al lange tijd toe aan reparaties en uitbreiding. De benodigde bouwmaterialen worden door Israël nauwelijks de Gazastrook binnengelaten. Sinds de zogenaamde versoepeling van de afsluiting in juni 2010, is slechts 20% van de benodigde bouwmaterialen voor zulke projecten doorgelaten”, vertelt Ghada. “De onderontwikkeling van het waternetwerk leidt ertoe dat het grondwater verder vervuild en overbelast raakt, het water onvoldoende gezuiverd wordt, en rioolwater in de zee gedumpt wordt. De schaarse watervoorziening wordt verder verergerd door de voortdurende brandstofcrisis in Gaza. Door het tekort aan brandstof kunnen de  elektriciteitscentrales onvoldoende stroom opwekken voor een aaneengesloten waterzuivering en watervoorziening.”

    Water: schaars en giftig

    “Ons hele leven wordt beheerst door het water,” zegt Abdel Moti Abdallah Abed Rabbo (59), terwijl hij een blik over zijn tuin in Izzbet Abed Rabbo werpt. Samen met zijn vrouw, vier zoons, dochter en vier kleinkinderen woont hij in het oostelijk deel van Jabaliya.

    “We worden zo’n vier uur per dag voorzien van water uit de leiding maar weten nooit wanneer precies; de toevoer volgt geen vast schema. En als de generator van de gemeente niet werkt, is er soms 3 dagen geen nieuw water.”

    Zodra het water door de leiding stroomt, komt de hele familie in actie. Abdel Moti gaat dat dan de tuin in om de watertanks vol te laten lopen. Dat water pompt hij door naar het huis, ervan uitgaande dat er stroom is. Zo slaat hij op twee plaatsen water op voor de uren dat er geen toevoer is. “Als de watertanks leeg zijn en ik zet de pomp niet af, dan gaat de pomp stuk. Dat gebeurt iedere maand minstens één keer en kost 70 shekel[1] om te laten repareren,” vertelt Abdel Moti. Wanneer hij druk in de weer is met de waterslangen, pomp en generator, begint de rest van de familie aan het huishouden. “Soms, als het water ’s nachts terugkomt, maak ik de hele familie wakker om zich te douchen, kleren te wassen, de vaat te doen, schoon te maken en alle andere dingen te doen die we uit moesten stellen vanwege het gebrek aan water. We moeten er ook altijd aan denken om flessen met water te vullen en deze in de koelkast te leggen. Want als er geen stroom is, kunnen we geen water oppompen en filteren  om van te drinken.”

    “Ons levensritme wordt bepaald door het water”, zegt Abdel Moti geërgerd. “Ik moet de waterleiding in principe constant in de gaten houden. Het is tijdverspilling en ik moet er zelfs regelmatig voor thuisblijven. Dat is voor mij het ergste. Ieder uur moet ik kijken of er water op de leiding zit.”

    De watertoevoer naar het Abed Rabbo huis is onvoldoende, zeker in de zomer. Dan is het niet eens genoeg om van te drinken. Toch heeft de familie het nog relatief goed vergeleken met de rest van de Gazastrook: “Veertig procent van de bevolking heeft slechts eens in de vier dagen een watertoevoer van tussen de zes en acht uur”, aldus Ghada Snunu.

    Om het tekort aan te vullen koopt de familie iedere tien dagen 2,000 liter water van een tankwagen. Dat kost hen 100 shekel per keer. “Daarnaast hebben we regelmatig een technicus nodig die onze waterpomp, generator en leidingen repareert,” zegt Abdel Moti. “Ook moeten we iedere drie maanden onze waterfilter vervangen, want na drie maanden of vier maanden begint het water uit de filter troebel te worden. Een nieuwe filter kost 80 shekel. Water is voor ons een financiële last.”

    Noodzakelijk vergif

    De vervuiling van Gaza’s grondwater wordt niet voldoende opgevangen door de waterzuiveringsprocessen waardoor pesticiden, chemicaliën, chloor, nitraten, en zelfs sporen van rioolwater terug te vinden zijn in het drinkwater.

    Onderzoek van de Coastal Municipalities Water Utilities (CMWU) toonde aan dat 26% van de ziekten in Gaza zijn aan water gerelateerd. Deze varieren van chronische leverziekten en nierfalen tot diarree en hepatitis.

    Abdel Moti leest rapporten over de watercrisis. “Alle onderzoeken laten zien dat 90% van het water, inclusief het gefilterde water, niet geschikt is om van te drinken. Toch moeten we het wel drinken; we hebben geen andere opties. Dokters zeggen dat steeds meer mensen lijden aan nierstenen. We weten niet precies wat voor stoffen we binnenkrijgen via het water. In Gaza wordt niets goed in de gaten gehouden of gemeten, maar dat het ongezond is, is zeker. De laatste jaren is mijn tuin van een groen woud veranderd in een dor en droog geheel. Sommige planten groeien zelfs helemaal niet meer in onze tuin, vanwege het vele zout in het water”, zegt Abdel Moti, wijzend naar wat verdorde struiken.

    Geen onmogelijke droom

     Abdel Moti kijkt voor zich uit: “Volgens mij is mijn droom niet onmogelijk. We hoeven niet op andere landen te lijken. Maar ik wil gewoon kunnen slapen en wakker worden zonder aan water te hoeven denken. En ik wil zonder nadenken water kunnen drinken wanneer ik ’s ochtends wakker wordt. Mijn hele leven bestaat uit water en elektriciteit. Ik wil dat mijn familie kunnen leven in waardigheid, als ieder gewoon mens. Dat is ons recht.”

    [1] 1 shekel is ongeveer 0,20 euro.

    Kijk op www.thirstingforjustice.org om meer te weten te komen over de EWASH campagne die het Palestijnse waterprobleem op de kaart zet.

     

    Eerdere artikelen van Lydia

    Voorbereid op een onzekere toekomst

    Voor straf in het donker

    Ter land, ter zee en ondergronds

  • Na zes jaar weer bezoek uit Jabalya

     

    Van zondag 12 februari tot woensdag 15 februari 2012 brachten twee bestuurders van het Nama’a College for science en Technology uit Jabalya een bezoek aan Groningen.  Het gaat om Dr. Mo’een Al Borsh, de dean van de school en mr Salah A. Keshta, directielid externe betrekkingen. Het was voor het eerst sinds 2005 dat een delegatie uit Jabalya Groningen kon bezoeken.

    Het doel van het bezoek was de contacten met Groningen te herstellen door kennis te maken met Groningen en door samenwerkingsverbanden te zoeken met partners in Groningen vooral op het gebied van het onderwijs. Het Nama’a College denkt dan bijvoorbeeld aan uitwisseling van docenten of studenten. De relatie met Groningen is ontstaan omdat het gebouw waar het College nu in gehuisvest is gefinancierd is door de gemeente Groningen als onderdeel van het project “Jeugd in Jabalya”. Dat project kon destijds niet worden voortgezet vanwege de politieke situatie in de Gazastrook (o.a de disengagement in 2005 en de door Hamas gewonnen verkiezingen in 2006 die voor Israel aanleiding waren tot een bijna complete blokkade van de Gazastrook). Contacten met Jabalaya waren jarenlang uiterst moeilijk en minimaal. Maar de gemeente Groningen heeft altijd de bereidheid uitgespoken om, als de situatie zou verbeteren, verdere samenwerking met partners in Jabalya te heroverwegen.

    foto 1
    De delegatie wordt ontvangen door het bestuur. Tweede van links dr Moueen Al Borsh, de dean van het Nama’a College. Tweede van rechts projectmanager Salah Keshta

    De delegatie heeft als eerste gesprekken gevoerd met de Stichting Groningen-Jabalya en bestuursleden van de Stichting. Het belangrijkste onderdeel was elkaar bijpraten m.b.t. de recente ontwikkelingen in Groningen en Jabalya, het bespreken van mogelijke perspectieven voor samenwerking en de voorbereiding van het programma. De delegatie toonde een aantal filmpjes over de gang van zaken op het College en de staat van het gebouw. De Stichting Groningen-Jabalya was blij verrast met de intensieve manier waarop van het gebouw gebruik wordt gemaakt.

    In een aantal contacten op de RUG werd gesproken over mogelijke samenwerking (lesgeven in Jabalya, samenwerking bij wetenschappelijke congressen). Met de Gemeente Groningen waren er kennismakingsontmoetingen op het niveau van ambtenaren en met wethouder Elly Pastoor. Ook was er contact met een aantal gemeenteraadsleden. Daarbij benadrukten de heren Al Borsh en Keshta dat zij mensen uit het onderwijs zijn en geen politici. Zij zoeken ondersteuning en contacten m.b.t. het onderwijs aan jongeren in Jabalya. Zo zijn er bijvoorbeeld in Jabalya jongeren die wel gekwalificeerd zijn om hbo-onderwijs te volgen maar die de kosten (U$ 1000,- per jaar) niet kunnen betalen. Ook wees de delegatie er op dat het gebouw nooit is afgebouwd en dat bijv. de lift (vrij essentieel in een samenleving met veel gehandicapten) ontbreekt. Er was ook een gesprek met Jan Arend Mulder, de architect van het gebouw. Daarbij kwamen een paar vragen m.b.t. bouw en inrichting aan de orde en werden bij de delegatie bestaande ideeën m.b.t. aanpassingen aan het gebouw getoetst. Op de Hanzehogeschool liet de delegatie zich uitgebreid voorlichten over wat de Hanzehogeschool het Nama’a College kan bieden m.b.t. mogelijke vervolgopleidingen voor studenten uit Jabalya, training van staf en docenten, ondersteuning m.b.t. beleidsontwikkeling etc. etc. Het verblijf in Groningen werd afgesloten met een bezoek aan de afdeling Techniek, ICT, en technologie (incl. multimediadesign) van het Alfa College.

    Het Stichtingsbestuur heeft als conclusie getrokken dat er weer mogelijkheden zijn voor nauwere contacten met de bevolking van Jabalya en zal dat de komende tijd verder in voorstellen uitwerken. Daarbij is een tegenbezoek aan Jabalya in de loop van dit jaar waarschijnlijk.

    Aanvulling

    In april 2013 hebben wij van de gemeente Groningen bericht gekregen dat wij € 65.000 hebben ontvangen om te besteden aan een onderwijsuitwisselingsproject met het Nama’a College.  zie hier 

     

  • Jeugd in Jabalya

    Een initiatiefvoorstel van GroenLinks in de gemeenteraad van Groningen (februari 1998) een internationale samenwerking aan te gaan met een lokale gemeenschap in een Arabisch land, resulteerde in een uitspraak van de gemeenteraad (22 december 1999) geen stedenband te initiëren met een stad in een Arabisch land. Andere samenwerkingsvormen werden echter niet uitgesloten. Internationale samenwerking zou vorm gegeven kunnen worden middels een projectmatige, en op resultaat gerichte werkwijze met een vooraf vastgestelde beperkte duur.

    Na een werkbezoek van een aantal burgemeesters uit de Palestijnse gebieden aan Nederland (1998) hebben vertegenwoordigers van een Groningse initiatiefgroep door tussenkomst van Mouin Rabbani contact gehad met de burgemeester van Jabalya. Na een bezoek van burgemeester Jacques Wallage aan de Palestijnse gebieden (1999) ontving de gemeente Groningen van de gemeente Jabalya een verzoek om hulp bij het opzetten van niet-commerciële kinderopvang.
    Na het besluit van de Gemeente Groningen om te onderzoeken wat de mogelijkheden zouden kunnen zijn (nota “Uit de kinderschoenen!”, begin 2000) volgde een project-identificatie-missie naar Jabalya in september van dat jaar. N.a.v. de positieve bevindingen is er een voorstel voor de gemeenteraad van Groningen geformuleerd, welke 17 oktober 2001 unaniem door de gemeenteraad werd aangenomen. Besloten dit project “Jeugd in Jabalya” uit te werken en te concretiseren.
    Een missie in februari 2002 resulteerde in de ondertekening van een “Memorandum of Understanding” waarin de gemeentes Groningen en Jabalya overeenkwamen een jeugdcentrum in Jabalya te willen gaan bouwen, een lokaal jeugdbeleid te gaan ontwikkelen, een onafhankelijk bestuur voor het jeugdcentrum op te gaan zetten en een uitwisseling van kennis tot stand te brengen tussen het jeugdcentrum in Jabalya en een soortgelijke instelling in Groningen. Dit “Memorandum” werd in augustus 2002 door de burgemeesters van Groningen en Jabalya ondertekend.

    In oktober 2002 heeft de gemeente Groningen een projectovereenkomst gesloten met VNG-International. Deze draagt maximaal 260.000 Euro bij aan het project, waaronder ongeveer de helft van de investeringskosten van de bouwkosten van het jeugdcentrum, dat gemaximeerd is op 300.000 Euro. De gemeente Groningen neemt de andere helft van de investering voor haar rekening. De einddatum van het project is bepaald op april 2005.

    In november 2002 hebben de beide gemeentes een contract getekend waarin Groningen de investering van 300.000 Euro in de stichtingskosten garandeert op de voorwaarde dat Jabalya donoren vindt voor de aankleding, inrichting en exploitatie van het jeugdcentrum.

    In februari 2004 heeft de gemeente Groningen een project overeenkomst aangegaan met de gemeente Jabalya en het inmiddels opgerichte onafhankelijke bestuur in Jabalya. Direct daarop is begonnen met de bouw van het jeugdcentrum, welke in april 2005 is voltooid.

    yec 3
    Het gele gebouw links is door de gemeente Groningen gefinancierd. Het huisvest nu het Nama’a College for Science and Technology. zie ook foto hieronder klik op plaatje voor meer info over het gebouw

    In de loop van 2005 is met financiële hulp van de gemeente Groningen (maximaal voor 1 jaar) een kleine staf aangesteld bestaande uit een directeur, een secretaris en een activiteitencoördinator. Taak van de directeur zou vooral bestaan uit het interesseren van donoren voor het financieren van de aankleding, inrichting en exploitatie van het jeugdcentrum i.q. projecten die in het centrum kunnen plaatsvinden.

    Per 31 december 2005 werd de overeenkomst met VNG-International beëindigd. Weliswaar waren de doelstellingen van het project ‘Jeugd in Jabalya’ nog niet geheel gehaald, deze zouden in een nieuwe overeenkomst met VNG-International in het kader van haar nieuwe subsidieprogramma LOGO-South alsnog verwezenlijkt kunnen worden. Het ging daarbij voornamelijk om de implementatie van het inmiddels geformuleerde jeugdbeleid en de kennisuitwisseling met de Groningse instellingen op het gebied van jeugdbeleid.

    Veranderend landschap

    Sinds het najaar van 2005 is het landschap waarin de contacten met Jabalya plaats hadden drastisch gewijzigd, zowel in de Palestijnse gebieden, in Jabalya zelf als in Nederland en Groningen. Vanwege de terugtrekking van de Joodse nederzettingen uit de Gaza-strook besloten veel internationale donoren, vanwege te verwachten (interne) spanningen zich tijdelijk uit de Gazastrook terug te trekken. Toen in januari 2006 Hamas de parlementsverkiezingen won, gevolgd door een internationale boycot van deze regering bleven deze internationale donoren, ook al vanwege de aanhoudende interne spanningen tussen Hamas en Fatah, weg. De Israëlische regering reageerde op deze ontwikkelingen met het sluiten van de grenzen van de Gazastrook en het bevriezen van de belasting tegoeden. Toen in juni een Israëlische soldaat werd ontvoerd volgde de vergeldingsactie “zomerregen” waarbij ook in Jabalya dagelijks doden en gewonden vielen, met name onder burgers.

    In oktober 2005 ging onze  ‘counterpart’  gemeentesecretaris Mohammed Basheer Al Tayeb met pensioen en in december van dat jaar overleed burgemeester Khaleel A. Samarah. Daarmee verdwenen twee van de belangrijkste partners van het Groningse project uit het bestuur van de gemeente Jabalya.

    Directie en bestuur van het jeugdcentrum zijn er mondjesmaat in geslaagd donoren te vinden die bereid waren te investeren in het jeugdcentrum. Activiteiten op sportgebied en theater zijn in gang gezet. Wij schatten dat met deze activiteiten zo’n 10 tot 20 procent de capaciteit van het totaal van de mogelijkheden van het centrum wordt benut.

    Toen in de loop van 2006 de Groningse financiering van de stafmedewerkers afliep zag het bestuur van het jeugdcentrum zich genoodzaakt deze bij gebrek aan middelen te ontslaan. Wel werd een deel van deze mensen bereid gevonden hun werkzaamheden te continueren, onder de toezegging dat wanneer er weer geld is zij alsnog uitbetaald zullen worden.

    In de loop van 2006 werden door VNG-International de voorwaarden waaronder in het LOGO-South programma subsidies beschikbaar komen vastgesteld. Anders dan eerder werd veronderstelt komt het project van de gemeente Groningen daarvoor niet meer in aanmerking. In overleg met de betrokken Nederlandse werd aanvankelijk gekozen voor de thema’s milieu en jeugd, na consultatie van APLA (de Palestijnse vereniging van gemeenten) en Buitenlandse Zaken werd overeengekomen dat enkel aanvragen voor het thema ‘milieu’ gehonoreerd zou kunnen worden. Bovendien zou de Nederlandse gemeente een extra band aan moeten gaan met een Israëlische gemeente in het kader van de door VNG-International geïnitieerde project MAP, de Municipal Alliance for Peace.

    In Groningen werd in november 2005 de begroting 2006 vastgesteld. Daarin werd voor de jaren 2006-2007 een bedrag van 65.000 Euro gereserveerd ten behoeve van de afronding van het project ´Jeugd in Jabalya´. In diezelfde maand werd door de verantwoordelijk wethouder van Schie in een gesprek met de Stichting duidelijk gemaakt dat deze afronding niet meer door de gemeente zelf zou worden uitgevoerd, zij dacht daarbij aan de MJD of eventueel de Stichting. Deze laatste heeft in dat gesprek aangegeven daarvoor ´in de markt´ te zijn. OCSW zou daarover met de Stichting contact opnemen. Toen dat niet gebeurde heeft de Stichting het initiatief genomen een voorstel te formuleren. Deze werd op 7 maart 2006 met de heer Siewert Pilon besproken. Resultaat daarvan was dat OCSW akkoord was met de opzet, maar dat niet duidelijk was, gelet op de internationale boycot van de Hamas/regering, wanneer één en ander geëffectueerd zou kunnen worden. Na de gemeenteraadsverkiezingen werd in april een nieuw College geïnstalleerd. In het Collegeprogramma werd wat betreft Jabalya besloten, na afronding van het project ´Jeugd in Jabalya´ de contacten met Jabalya te continueren en uit te bouwen. Ook werd besloten alle internationale contacten (behalve de economische) te concentreren in de portefeuille van burgemeester Wallage. In juni werd duidelijk dat de internationale boycot niet van toepassing was op projecten als die van Groningen, ook al omdat deze als humanitaire hulp aangemerkt zou kunnen worden. In september volgde een kennismakingsgesprek tussen Wallage en de Stichting. Bij dit gesprek werd het idee gelanceerd om eerst een poging te doen de exploitatie van het jeugdcentrum op de middellange termijn zeker te stellen aangezien Groningen daar niet de middelen voor heeft. Aanvankelijk zag het er naar uit dat BuZa bereid was een consultant voor dit doel te financieren. Helaas liep dit op niets uit.

    In januari 2007 volgde een nieuw gesprek tussen Wallage en de Stichting. De Stichting werd gevraagd een voorstel te doen teneinde de contacten met Jabalya af te hechten en de kosten daarvan in beeld te brengen. Voorts zal de Stichting een voorstel doen het consultancy-traject in beeld te brengen.

     

     

     

  • Reportages uit Gaza verschenen in de Nieuwsbrief

    Het Doha Centre for Media Freedom Palestine is een journalisten kollektief, onderdeel van het Doha Centrum voor Persvrijheid  Met enige regelmaat zullen bijdragen van dit kollektief gepubliceerd worden op de site of in onze nieuwsbrief.  kijk hier voor de bijdragen die tot nu toe gepubliceerd zijn

     

  • Lydia de Leeuw  is een criminologe gespecialiseerd in mensenrechten, conflict en state-corporate crime. Zij werkt momenteel bij een mensenrechtenorganisatie in de Gazastrook. Daarnaast schrijft ze als freelancer over de situatie in de Gazastrook o.a voor onze nieuwsbrief.  kijk hier voor haar bijdragen

    Kijk voor meer verhalen ook op http://asecondglance.wordpress.com

  • Geweld in de Gazastrook

    persverklaring

    De Stichting Groningen-Jabalya is geschokt door het huidige geweld dat de Gazastrook treft. Ook in Jabalya zijn gisteren één dode en vier gewonden gevallen en is veel verwoest door de Israëlische aanvallen met vliegtuigen en tanks.

    Wij onderschrijven de veroordeling van het onderlinge geweld tussen Fatah- en Hamasfacties door de Palestijnse mensenrechtenorganisatie PCHR. Tegelijkertijd lijkt het erop dat de Israëlische politiek ten opzichte van Gaza, het maximaal bevorderen van instabiliteit, succes begint te hebben. Jarenlang is het dichtbevolkte gebied (zo groot als Texel, met 1,2 miljoen mensen) hermetisch van buitenwereld afgesloten. Basisbehoeften als voedsel en medicijnen zijn maar met mondjesmaat toegelaten, veel te weinig voor wat nodig is om de bevolking een leven op een menswaardig minimum te verschaffen. De elektriciteitsvoorziening is gebombardeerd. Voorzieningen voor schoon drinkwater werden regelmatig vernield. De uitvoer van produkten werd ernstig gehinderd. Door dit alles kwam de economie zo goed als tot stilstand met uiteindelijk als gevolg dat 80% van de Gazanen in bittere armoede leven en afhankelijk zijn van voedselhulp. Dit alles was er op gericht om de druk op de mensen in het afgesloten dichtbevolkte gebied zo op te voeren dat men elkaar in de haren zou vliegen.

    Wij betreuren dat Israël hierin lijkt te slagen en wij veroordelen de aanvallen die Israël nu met vliegtuigen en tanks uitvoert waardoor het lijden van de bevolking – ook in Jabalya – nog vergroot wordt.
    De Stichting Groningen-Jabalya vraagt de Nederlandse regering om bij Israël te protesteren tegen deze aanvallen, die door een aantal waarnemers worden gezien als een voorbode van een hernieuwde militaire verovering van de Gazastrook. Deze militaire benadering is geen oplossing voor het conflict en brengt ook geen veiligheid voor Israëlische burgers in Sderot en andere grensplaatsen.
    Het beleg van Gaza door Israël moet zo snel mogelijk worden opgeheven. Pas dan kan de stabiliteit terugkeren en kan er gewerkt worden aan een niet-militaire oplossing.

    Gezien de huidige situatie heropenen wij onze geldinzamelingscampagne voor medische hulp aan de bevolking van Jabalya via de onafhankelijke medische hulporganisatie PMRS. Giften zijn weer welkom op giro 6687678 t.n.v. St. Groningen-Jabalya

  • Openluchtgevangenis Gaza: aan den lijve ondervonden

    Door Lydia de Leeuw

    In de twee jaar dat ik in de Gazastrook woonde, heb ik veel geschreven over de nu al ruim zes jaar durende illegale afsluiting van het gebied door Israël. Ik sprak met vrienden, interviewde mensen met diverse verhalen en achtergronden en deed voor mijn werk veel onderzoek. Hoe zeer de vaak emotionele verhalen mij ook raakten, ik kon me niet voorstellen dat ik de afsluiting zelf ooit aan den lijve zou ondervinden. Ja, ik was weleens in Egypte gestrand omdat de grens dicht ging, maar dat was ‘peanuts’ voor mij als buitenlandse. Ik werd niet – zoals vele Palestijnen uit Gaza overkomt wanneer de grens dicht is – gedeporteerd of dagenlang vastgehouden in een ranzige wachtruimte op het vliegveld. Ik kon mijn wachttijd in Caïro doorbrengen tot de grenspoort weer open ging.

    Maar afgelopen mei kwam daar verandering in. Ik voelde me al wekenlang niet goed. De ene arts zei dat ik ziek was geworden van het vervuilde drinkwater (zoals al eens eerder was gebeurd), de andere hield het op een buikgriep. Uiteindelijk werd d.m.v. een bloedonderzoek een alvleesklierontsteking vastgesteld. Dat was slecht nieuws; deze aandoening kan levensbedreigend zijn en dan is intensieve medische zorg vereist. Zorg die in Gaza niet beschikbaar is.

    Foto 2 lydia
    De lange corridor van de grenspost bij Erez

    Niet lang na het stellen van de diagnose word ik opgenomen in het Shifa ziekenhuis, het grootste ziekenhuis van Gaza. Daar worden de tekenen van de afsluiting al meteen zichtbaar; er zijn te weinig middelen voorhanden, zoals bijvoorbeeld infuuspalen, lakens en handschoenen. Sommige apparatuur wordt met tape bij elkaar gehouden. Wanneer ik op een zaal word gelegd, schrik ik van de gribus. Er zitten gaten in de muren, de ventilatie werkt nauwelijks en de matrassen zijn dun en doorgelegen. Vrienden komen lakens en een kussen brengen; ook dat was er niet.  (meer…)